Proloog: 'Cassauwers' is een verhaal, en toch ook weer niet. Het is gestoeld op mijn herinnering. De herinnering aan mijn grootouders, langs vaderskant. Niet alles zal dus helemaal de waarheid zijn, eerder een combinatie van waarheid en fictie. Een één-trek-tekst, raak je best niet te veel aan. Mocht er iemand aanstoot nemen aan het geschrevene, laat het gerust weten!

De bel luidde. Sommige van ons draaiden zich naar, andere weg van het televisietoestel. Vake luidde de bel altijd, altijd als er gekus op tv te zien was. Waarom? Geen idee, maar het had wel iets.

We waren met acht thuis. Een gemiddeld gezin in die tijd. We kenden er van twaalf ook bijvoorbeeld. De Vandersmissens bijvoorbeeld. Of de Meyvissen, die waren met zeven. Niet iedereen had dat geluk natuurlijk. Jeanne en Marcel van hiernaast zaten zonder. We vroegen maar niet waarom. Misschien wisten ze het zelf niet. Of was het een tussenkomst van hierboven. Nu zouden ze ze waarschijnlijk allebei 4 keer binnenstebuiten draaien tot ze iets vonden. Maar toen was dat niet het geval.

Wij waren met z’n achten dus. 5 tegen 3. Jongens tegen meisjes. Maar die minderheid werd gecompenseerd door ons Moeke, geen zorgen. Vake tellen we in deze niet mee. Dat zou hij ook niet willen, of gewild hebben. Vake is er niet meer. Al een tijdje niet. Hij haalde de 77. Net geen honderd, zei Moeke altijd. Het jaar na zijn dood, werd de harmonie (waar hij zijn hele leven zowat alle rollen heeft gehad) een eeuwling.

Vake was een vader van zijn tijd. Hard werken, veel kinders, altijd blijven lachen. Sigaar in de mond, bolleke Koninck in de hand. En voor we gingen slapen, kletste hij altijd nog efkes op ons boemeke. Da’s ons eigenste achtersteven. Die traditie werd trouwens doorgetrokken later, bij de kleinkinderen. Ook die vonden het hilarisch. Hij is gelukkig gestorven, denken we. 's Nachts, in zijn slaap. De avond voordien zat heel de familie in de woonkamer. En daarmee bedoel ik ook de héle familie. We waren toen al met 28.

Adri, Paul, Jan, Gerd, Marc, Rina, Wim, Kris. De Caskes, zoals ze ons in het dorp noemden. Op basis van onze familienaam, maar dat had u wel geraden. De namen hierboven zijn roepnamen trouwens. Nu ja, niet van iedereen. Maar de keuzeset in namen was nogal beperkt in die tijd. En de dorpssecretaris wilde daar al eens moeilijk om doen ook. Adrienne, Paul, Jan, Gerarda, Marc, Catharina, Willem, Christiaan. Maar voor de gemakkelijkheid zal ik het bij de korte versie houden.

Dat de set namen niet zo uitgebreid was, is trouwens zeer wiskundig duidelijk te maken. De grootste gemene deler van de Cassauwersen, de Meyvissen en de Moeyersons (die met 9 waren) is 5. Dat zegt genoeg, denk ik. Het voordeel voor de plaatselijke leerkrachten, pastoor en scoutsleiding kan je, naar ik vermoed, wel inschatten. Zij konden hun energie dus volledig op ons richten, en niet op onze namen. Hoewel ze ook wel gek werden wanneer telkens de verkeerde Kris opdook!

Ik ben de voorlaatste. De op-een-na-jongste dus. Dan weet je tenminste wie er spreekt. 

Moeke is er nog, trouwens. Dat had je wel kunnen vermoeden natuurlijk, anders had ik je dat wel in 1 adem gezegd, toen ik Vake’s afwezigheid vermelde. Ach, Moeke. De standaard aller moeders. Dat vind ik toch. Eigen kind, schoon kind zeggen ze geregeld, maar andersom geldt dat ook gewoonlijk. Alleen wordt er zo geen spel van gemaakt.

Haar blauw-wit geruite keukenjas (geen idee hoe dat ding echt heet, maar je kent het wel, alle moeders droegen ze) draagt ze nog steeds. Ze moet er toch zeker een stuk of vijftig versleten hebben. Maar ze kon naaien. Dus maakte ze snel een nieuwe, tussen het maken van de soep (moekessoep, de beste die er is), het helpen bij het huiswerk en de strijk door. Exact dezelfde trouwens. Waarschijnlijk had ze ooit een een rol of 10 kunnen kopen.

Ze had de oorlog meegemaakt, maar dat was op zich nogal meegevallen. Het waren lange wandelingen als ze ergens naartoe moesten, en één keer moesten ze schuilen voor een bommenregen, in het station van Mortsel. Maar op zich, viel dat allemaal wel mee. Moeke is meester, nu ja meesteres van de relativering. Misschien daarom ook dat ze de dood van Vake vrij goed kon plaatsen. Hij had heel zijn leven hard gewerkt in de schrijnwerkerij, en stierf uiteindelijk aan een overdosis stof in zijn longen. De term kanker was nog niet zo ingeburgerd.

Na Vake bleef ze ook niet alleen achter natuurlijk. Wij waren er. Alle 8. Ons aapke en den baron woonden nog thuis, en de zusters wisselden af als gezelschapsdame. In de letterlijke betekenis uiteraard. En de meeste kleinkinderen passeerden ook geregeld. 

Intussen heeft ze iemand nieuw. Je moet het je maar proberen voorstellen. Zij 82, hij intussen bijna 90. Maar dolgelukkig samen. En ze gedragen zich als echte gepensioneerden! Ach, Moeke had nooit een zittend gat. Nu brengt ze dat gewoon naar buiten.

Ze zijn naar Frankrijk getrokken, met de wagen dan nog. De dokter vond dat niet zo’n geweldig idee uiteraard. Maar het was haar stijl niet om zich te laten zeggen wat ze moest doen. Of vooral wat ze niet mocht. Maar ze spraken af dat de oudste niet achter het stuur zou kruipen. Het aloude Belgische compromis. Hij spreekt een beetje Frans, zij eigenlijk niet meer dan oui en non. 

Het moet hilarisch zijn geweest, aan de péage. 'Simple ou retour?’ zou de bediende vragen. De vragende blik van de twee oudjes naar elkaar, moet van goudwaarde zijn geweest. Maar ze zijn geraakt waar ze moesten zijn. En veilig teruggeraakt ook.

Lees ook andere verhalen

Nieuwe posts of verhalen ontvangen? Laat je email-adres achter.