Ik zat, op een tak, een beetje te tsjirpen, wat te slaan met mijn vleugels, kauwend op een wormpje, of knabbelend, of… ach dat wat wij vogels doen met ons eten he. Zo zat ik daar dus. Nu ja, niet zo, zoals ik hier nu zit. Maar zoals ik zei, wat slaand met mijn vleugels.

 

Tadam tadam

Ik zat er niet alleen! Mevrouwtje Zij zat er ook. Mevrouwtje Zij, da’s, wel da’s, … da’s… goh, ik durf het bijna niet vertellen. Komaan ik. Mevrouwtje Zij, is het mooiste vogelmevrouwtje dat er bestaat. Ze heeft van die supermooie veren, met supermooie kleuren. Ah, mevrouwtje Zij, ‘t was voor haar dat ik zat te tsjirpen, en met mijn vleugels zat te slaan hoor. Maar ze zag het niet, ze zag me niet, nu ja, zitten…

Tadam tadam

Ik keek naar mevrouwtje Zij, de hele tijd. ‘t Is te zeggen, ik keek naar haar, stiekem, en vooral als ze niet keek. En als ze haar hoofd draaide, draaide ik me weg. Ik ben een verlegen vogeltje, weet je.

Tadam tadam

Ze vloog op. Ik liet mijn kopje zakken. Weer niet gelukt. Maar mijn hoofd was nog niet beneden of ik hoorde haar roepen! Hij komt, hij komt! Mevrouwtje Zij! Ik had ze nog nooit zo opgewonden gezien! (en ik had ze al veel gezien)

Tadam tadam

Ze schrok achteruit, van het lawaai dat dichterbij kwam. Maar langs de andere kant werd ze helemaal blij, en vrolijk, en wild, en nog zo vanalles. Ik keek even naar het ijzeren ding dat op ons afkwam, keek terug naar mevrouwtje Zij. En wist plots wat ik moest doen.

Tadam tadam
Tadam tadam

De trein kwam alsmaar dichterbij. Ik vloog omhoog, recht naar mevrouwtje Zij toe. Die hing stil, fladderend, tsjirpend. Ik tikte op haar schouder en knikte met mijn kop. 

Tadam tadam tadam tadam

‘Ga je mee,’ riep ik. Ze hoorde het, keek in mijn ogen. Ik vertrok. Ze vloog achter me aan. 

Tadam tadam
Tsjierp tsjierp

We lachten op het ritme van de trein, we vlogen samen naast de trein, en zagen binnenin mensen dromen, lezen, gsm’en ook. We zagen zelfs iemand op ‘t toilet… euhm…dat moet ik niet vertellen.

We vlogen en fladderden, tot we niet meer konden. Uitgeput zetten we ons op de volgende boom.

Tadam tadam

We keken nog even, tot de trein uit het zicht verdween. We zuchtten allebei. En barstten daarna in lachen uit. ‘t was het leukste van mijn hele leven, zei ze. Ik knipoogde even.

Sindsdien gaat er geen trein meer voorbij, of mevrouwtje Zij en ik, vliegen mee, tsjierpend en lachend! Mevrouwtje Zij en ik. Meneertje Ik

Lees ook andere verhalen

Nieuwe posts of verhalen ontvangen? Laat je email-adres achter.